De Conferentie en haar geschiedenis


Op deze pagina kan u grasduinen in het verleden van de Conferentie. U vindt er onder meer een overzicht van de ere-voorzitters, voorzitters en besturen van 1885 tot op heden. Tevens kan u grasduinen in de openingsredes die ieder gerechtelijk jaar plaatsvinden tijdens de plechtige openingszitting.

Een uitvoerige geschiedenis van de Vlaamse Conferentie (met dank aan Jan Meerts – Voorzitter 2002-2003) laat zich hieronder lezen :


1. Stichting

De Vlaamse Conferentie bij de balie te Antwerpen werd gesticht tijdens een vergadering met 25 leden op 27 oktober 1885, zo bericht “De Kleine Gazet” van 1 november 1885. Edward Coremans werd tot eerste voorzitter verkozen, Jan Van Rijswijck tot ondervoorzitter en Flor Heuvelmans tot secretaris-schatbewaarder. Deze stichting werd bekrachtigd op een vergadering van 9 november 1885, waarop het reglement en het bestuur van de Conferentie goedgekeurd werden.

Het doel van de conferentie was voornamelijk om jonge advocaten te vormen door het houden van pleitoefeningen, van discussies over juridische onderwerpen en door het geven van lessen in deontologie. Voor de Vlaamse Conferentie bij de balie te Antwerpen kwam er evenwel, een belangrijk doel bij. De Conferentie wilde niet alleen een studiecentrum zijn ter beoefening van de rechtswetenschap in eigen taal, doch voornamelijk ook een strijdorganisme van waaruit geijverd werd voor het gebruik van het Nederlands bij de rechtbanken.

2. De eerste jaren

Daar waar voordien de Conférence du Jeune Barreau vanaf 1870 ieder jaar een plechtige openingszitting organiseerde (en dit overigens zou blijven doen tot 1962), vond de eerste plechtige openingszitting van de Vlaamse Conferentie slechts plaats in 1906. Op 8 oktober 1906 werd de eerste openingsrede gehouden door Emiel Schiltz, die in het Assisenhof sprak over “De Vierschaar”.

Voor een overzicht van 100 jaar openingsredes kan verwezen worden naar het gelijknamige boek dat door de Vlaamse Conferentie in 2006 uitgegeven werd.

De Eerste Wereldoorlog stelde een einde aan de werkzaamheden van de Vlaamse Conferentie. Alle activiteiten werden verdaagd tot na de oorlog. Emiel Schiltz was voorzitter in het gerechtelijk jaar 1913-1914, terwijl de eerstvolgende voorzitter (opnieuw Hector Lebon) de Vlaamse Conferentie slechts opnieuw zou leiden vanaf 1919.

Hoewel er tijdens de oorlogsjaren geen activiteiten van de Conferentie georganiseerd werden, deed deze periode geen goed aan de Vlaamse Conferentie, die na het beëindigen van de oorlog tijd nodig had om langzaam te herstellen.

Onder het Duitse bewind werd op 2 december 1915 de beslissing genomen tot de vernederlandsing van de Gentse Universiteit, wat een tegemoetkoming was aan één van de belangrijkste vooroorlogse Vlaamse eisen. Sommige leden van de Vlaamse Conferentie steunden het Duitse standpunt en traden toe tot het activisme, zoals gewezen voorzitter Flor Heuvelmans, gewezen ondervoorzitter Adelfons Henderickx en Jozef Van den Broeck. De meerderheid keerde zich hier echter van af. Deze tweedracht zorgde binnen de Conferentie voor spanningen. Er was tijd nodig om de breuk te herstellen.

3. Het interbellum

Nadat de activiteiten van de Vlaamse Conferentie tijdens de Eerste Wereldoorlog stilgelegd werden, hernam de Conferentie haar activiteiten in het gerechtelijk jaar 1919-1920 onder het voorzitterschap van Hector Lebon.

Zoals voordien werden opnieuw vele lezingen en spreekbeurten georganiseerd. Zo sprak ook de eerste vrouwelijke Antwerpse advocaat, Lily Stellfeld, de Conferentie toe over “De onbekwaamheid van de gehuwde vrouw”.

De bekommernis van de Antwerpse Conferentie ging uit naar de vervlaamsing van het gerecht. Een aanzet werd gegeven bij KB van 18 september 1923 tot oprichting van een commissie, belast met het vertalen in het Nederlands van de Grondwet, de wetboeken en wetten, waarvan tot dan toe nog geen officiële vertaling bestond.

Op 8 maart 1928 werd door een aantal volksvertegenwoordigers, waaronder Frans Van Cauwelaert (openingsredenaar in 1920) en Hendrik Marck (openingsredenaar in 1934) een wetsvoorstel ingediend betreffende het gebruik van de Nederlandse taal in burgerlijke en handelszaken.

De vele inspanningen leidden finaal tot de wet van 15 juni 1935, waarin het principe aanvaard wordt dat de rechtspleging in burgerlijke en handelszaken in het Nederlands diende te verlopen in de Vlaamse arrondissementen, wanneer de verwerende partij zijn woonplaats in Vlaanderen had. Voor de Brusselse agglomeratie werd de vrijheid van taalgebruik erkend. De inspanningen van gewezen openingsredenaar Hendrik Marck in de Kamer, waar hij verslaggever was van de Kamercommissie en van oud-voorzitter Hector Lebon in de Senaat, moeten in het bijzonder onderlijnd worden. De tekst van het wetsvoorstel van Marck, door hem fel verdedigd en door de bevoegde commissie geloodst, werd finaal gestemd, zodat deze taalwet terecht zijn naam heeft gekregen.

In dezelfde periode werd Balie-sport opgericht door gewezen voorzitter Herman De Jongh. Van bij de aanvang heeft Balie-sport contact gezocht met Nederlandse confraters en werden op regelmatige tijdstippen voetbal- en tenniswedstrijden ingericht tussen de balies van Antwerpen en Rotterdam.

Balie-sport groeide uit tot een groepering die deelneemt aan zowel nationale competities, zoals de voetbalcompetitie tussen de onderscheiden balies, als internationale organisaties, zoals Mundiavocat, het wereldkampioenschap voetbal tussen balies van verschillende landen, voor het eerst georganiseerd in Marrakech in 1983. De balie van Luik zou de editie van 1984 winnen en de Antwerpse balie is er een graag geziene gast, zowel op het voetbalveld als ernaast.

Herman De Jongh, voorzitter in 1930-31 en oprichter van Balie-Sport, overleed in 1945. Hij gaf ook zijn naam aan de jaarlijkse pleitwedstrijd voor stagiairs.

De “stagistenprijskamp”, die ook voordien reeds bestond, werd na de Tweede Wereldoorlog door voorzitter Van der Plancken nieuw leven ingeblazen. Als herinnering aan de toen net overleden oud-voorzitter Herman De Jongh, droegen de wedstrijd en de daaraan verbonden prijs vanaf dan zijn naam.

Vanaf 1986 werden drie prijzen uitgereikt en werd de wedstrijd voortaan genoemd naar de in 1984 overleden erevoorzitter René Victor, die ook zijn naam gaf aan de prijs voor de eerste laureaat. De tweede prijs is de prijs van de oud-voorzitters en de derde laureaat wordt bekroond met de prijs Herman De Winter, de voorzitter die overleed tijdens zijn werkingsjaar in 1986.

Deze drie prijzen worden traditioneel uitgereikt tijdens de jaarlijkse plechtige openingzitting. De laureaten worden bovendien uitgezonden naar andere pleitwedstrijden in Vlaanderen en Nederland, zoals het Vlaams Pleitjuweel, georganiseerd door de Orde van Vlaamse Balies, de Zuidelijke Pleitwedstrijden in Breda en de Bossche Strafpleitwedstrijden (met uitreiking van de Banning-Bokaal).Reeds verschillende malen wonnen jonge Antwerpse confraters er de eerste prijs.

Een belangrijke realisatie van de Vlaamse Conferentie tijdens het interbellum was de oprichting van het Rechtskundig Weekblad. Dit initiatief werd genomen tijdens het gerechtelijk verlof voorafgaand aan het gerechtelijk jaar 1931-32. Voornamelijk met betrekking tot de strijd voor de vervlaamsing van het gerecht, hadden de leden van de Conferentie al langer de behoefte om te kunnen beschikken over een uitgave die wekelijks zou verschijnen voor alle Vlaamse juristen en waarin op een doeltreffende wijze deze strijd voor de vervlaamsing zou kunnen gevoerd worden. In de aanvangsjaren vormde dit dan ook de eerste taak van het Rechtskundig Weekblad.

Een andere taak van dit Vlaams juridisch weekblad betrof de verdere uitbouw van de Vlaamse rechtswetenschap.

Het diende een platform te bieden voor de publicatie van de juridische actualiteit, de publicatie van in het Nederlands uitgesproken vonnissen en arresten en Nederlandstalige rechtsleer.

Bij het begin van het gerechtelijke jaar 1931-1932 werd dan ook in de schoot van de Vlaamse Conferentie beslist een dergelijk blad op te richten, genaamd het Rechtskundig Weekblad. Daartoe werd een vzw gesticht. Van bij de aanvang nam René Victor de taak van hoofdredacteur op zich en bleef dat tot aan zijn overlijden in 1984.

4. De tweede wereldoorlog

Reeds in de jaren voorafgaand aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog maakten nationalistische ideologieën en “Nieuwe Orde”-gedachten hun opwachting binnen (een deel van) de Vlaamse Conferentie.

Zo hield Jan Timmermans in oktober 1935 de openingsrede over de vestiging van de Tsjecho-Slovaakse staat, een pleidooi ter verdediging van het nationaliteitenbeginsel.

Voorzitter Ignace Van den Brande (1938-1939) stelde voor om een juridisch statuut uit te werken voor de Vlaamse Conferentie, die tot dan toe nooit statuten gekend had. Maurits Lambreghts, openingsredenaar in dat jaar met een lezing over “De Economische Verbondenheid der Nederlanden”, stelde voor om in de statuten te doen inschrijven dat alleen “volksgenoten” zouden toegelaten worden, waarbij de uitsluiting van joodse confraters uiteraard te berde gebracht werd.

Vervolgens werd op een vergadering van 26 mei 1939, waarop veertig leden aanwezig waren, met twintig stemmen voor, veertien tegen en zes onthoudingen het trieste voorstel aangenomen, waardoor statutair binnen de Conferentie bepaald werd dat joden niet als lid konden toegelaten worden.

Voor het werkingsjaar 1940-1941 bestond het nieuw verkozen bestuur uit voorzitter Jan Timmermans, aanhanger van de Nieuwe Orde, schepen voor het VNV en in 1942 oorlogsburgemeester. Hij werd door de raad van de orde bij verstek geschrapt op 9 februari 1945. Ondervoorzitter was René Lambrichts, ook aanhanger van de Nieuwe Orde en stichter van de antisemitische Volksverwering. Ook hij werd later door de raad bij verstek geschrapt. Tweede ondervoorzitter was René Lagrou, lid van SS Vlaanderen en reeds op 18 december 1944 bij verstek geschrapt. Secretarissen in dit bestuur waren Walter Bouchery, geschrapt bij sententie van 2 mei 1949, voornamelijk als stichtend lid van vzw De Vlaamsche Conferentie.

In het volgende jaar (1941-1942) werd een bestuur gekozen van een andere strekking met voorzitter Jozef Van Cuyck. Er werd geen openingszitting georganiseerd. De werkzaamheden van de conferentie werden in dat gerechtelijk jaar stilgelegd, omdat het bestuur weigerde in het kielzog van de Duitse bezetter te varen.

Dit heeft ertoe geleid dat enkele oud-voorzitters op 14 juni 1942 de bedenkelijke beslissing hebben genomen om over te gaan tot oprichting van vzw Vlaamse Conferentie der Balie van Antwerpen, met als stichtend voorzitter Jozef Stryckers, die voordien in 1937-1938 voorzitter van de Vlaamse Conferentie geweest was. In zijn toespraak verheelde hij de collaboratie niet: “In het Westen gaat de zon onder en volgt de nacht. In het Oosten rijst de zon en volgt de dag. Wij marcheren in het licht van deze dag.”

Met het einde van de oorlog kwam ook een feitelijk einde aan deze Nieuwe Orde-gezinde vzw, die evenwel tot op heden juridisch nog steeds niet ontbonden werd.

5. De volgende decennia

Na de bevrijding heeft de Vlaamse Conferentie haar activiteiten maar langzaam kunnen herstellen, nu alles wat Vlaams was een verdenking van collaboratie droeg.

De eerste jaren werd gezocht naar onbesproken voorzitters, zoals Kamiel Van der Planken (1945-1946), Carlos De Baeck (1946-1947), die later ook senator werd en stafhouder van de balie bij het Hof van Cassatie en René Victor (1947-1948). Op 23 september 1946 werd het eerste nummer van de nieuwe jaargang van het Rechtskundig Weekblad, na vijf jaar onderbreking, uitgegeven.

Binnen de Conferentie groeide met de jaren ook het besef dat haar activiteiten niet mochten beperkt blijven tot “de enkele bevordering van de Vlaamse cultuur”.

In 1960 werd met de nodige luister het vijfenzeventigjarig jubileum gevierd, met onder meer een galaconcert in de Koninklijke Vlaamse Opera in aanwezigheid van koning Boudewijn, een plechtige academische zitting en een jubelbanket. Het is op dit banket dat René Victor naar aloude traditie tot erevoorzitter werd verkozen.

6. De tweede heft van de twintigste eeuw

De Conferentie heeft ook tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw grote bijval gekend bij de leden van de balie. Haar activiteiten werden druk bijgewoond en talrijke prominente binnenlandse (waaronder diverse ex-premiers, ministers, professoren) en buitenlandse sprekers waren er te gast.

De oud-voorzitters Georges Franck, voorzitter in 1959-1960, stafhouder tussen 1972 en 1974 en erevoorzitter van de Conferentie tussen 1994 en 2000 en Jozef Van den Heuvel, voorzitter in 1967-1968, stafhouder tussen 1976 en 1978 en sedert 2001 erevoorzitter van de Conferentie werden beide deken van de Nationale Orde, respectievelijk tussen 1978 en 1980 (Franck) en tussen 1994 en 1996 (Van den Heuvel).

Hoogtepunt in deze periode was uiteraard de luisterrijke viering van het honderdjarig bestaan van de Vlaamse Conferentie in 1985, tijdens het werkingsjaar van voorzitter Jo Stevens.

Op 10 mei 1985 had een academische zitting plaats in het Assisenhof in aanwezigheid van koning Boudewijn, eerste minister Wilfried Martens, gouverneur en oud-voorzitter Andries Kinsbergen en burgemeester Bob Cools.

Gelet op het overlijden op 4 november 1984 van ere-voorzitter René Victor, werd de academische feestrede gehouden door oud-voorzitter en toekomstig ere-voorzitter Carlos De Baeck, die sprak over verleden en toekomst van de Vlaamse Conferentie. Ook stafhouder en oud-voorzitter Fred Erdman hield een redevoering over de stuwende kracht van de Vlaamse Conferentie. Na een receptie in aanwezigheid van de koning, vond diezelfde avond een galadiner plaats met ruim 800 aanwezigen.

Het eeuwfeest werd op 30 mei 1985 afgesloten met een eeuwfeestrevue, waarvoor de oude revueploeg samen met de toenmalige revueïsten optrad tot jolijt van de talrijke aanwezigen.

7. De antwerpse universiteit en het hof van beroep

Bij de strijd voor het verwerven van een universiteit in Antwerpen, hebben prominente conferentieleden het voortouw genomen.

In de schoot van het Algemeen Vlaams Oud-Hoogstudentenverbond (AVOHV) werd in 1957 een werkcomité opgericht, waarvan onder meer deel uitmaakten Walter Opsomer, die voorzitter van de Conferentie was geweest in 1949-1950, en Jozef Heinz, die in 1955 zijn openingsrede hield over “De Advocaat”. Heinz was ook hoofdredacteur van het mededelingenblad van het AVOHV. Dit mededelingenblad heeft op 6 april 1958 een speciale uitgave verspreid onder de titel “Een Vlaamse Universiteit te Antwerpen”, die aan alle Vlaamse parlementsleden, provincie- en gemeenteraadsleden, alsook aan alle Vlaamse verenigingen, universiteiten en prominenten verzonden werd. Het idee om een Vlaamse universiteit op te richten in Antwerpen, won dan ook veld.

De vaste bedoeling van het comité is steeds geweest de oprichting van een volwaardige en pluralistische universiteit.

Stilaan geraakten ook de politici overtuigd van de inspanningen die door het werkcomité geleverd

werden. Waar door de wet van 27 april 1965, in een geest van verzuiling, nog een expansie voorzien werd voor de RUCA en de UFSIA, werd finaal de wet van 7 april 1971 tot oprichting van de UIA gestemd.

Naast de inspanning voor het bekomen van een volwaardige Antwerpse universiteit is er uiteraard ook de strijd geweest voor het bekomen van een hof van beroep in Antwerpen.

Veertig jaar na de taalwet van 1935, werd op 1 januari 1975 het hof van beroep in Antwerpen geïnstalleerd.

De oprichting van een hof van beroep in Antwerpen, betekende voor de Vlaamse Conferentie de realisatie van een waarlijk strijdpunt, niet alleen om de rechtspraak dichter bij de Vlaamse rechtszoekende te brengen, maar ook en zelfs voornamelijk, omwille van de vernederlandsing van de rechtspraak op het niveau van het hof van beroep. Immers, het hof van beroep in Brussel en alleszins ook het Hof van Cassatie waren toen bijna volledig Franstalig.

Zodra duidelijk werd dat naar aanleiding van de staatshervorming en de gerechtelijke hervorming een mogelijkheid bestond tot oprichting van een hof van beroep in Antwerpen, heeft de Vlaamse Conferentie zich massaal ingezet voor de verwezenlijking van het idee.

Onder het voorzitterschap van Fred Erdman (1973-1974) werden vele voorlichtingsavonden georganiseerd. Voorzitter Erdman verzond op 10 mei 1974 namens de Conferentie aan de minister van Justitie een motie waarin werd aangedrongen om nog vóór 31 december 1974 in de installatie van het nieuwe hof van beroep te Antwerpen te voorzien, waarna vanaf het gerechtelijk jaar 1975-1976 het hof van beroep te Antwerpen zijn werkzaamheden zou aanvatten.

8. De Vlaamse conferentie in de 21ste eeuw

Door de taalwet van 15 juni 1935 en in mindere mate door de oprichting en installatie van een hof van beroep in Antwerpen vanaf 1 januari 1975, kon één van de oorspronkelijke doelen van de Vlaamse Conferentie (de strijd voor de vernederlandsing van het gerecht en de Vlaamse ontvoogding op juridisch gebied) als gerealiseerd worden aanzien.

Het oorspronkelijk ideaal van Vlaamse ontvoogding en vernederlandsing van het gerecht dient in de 21e eeuw echter niet langer nagestreefd te worden. De Vlaamse Conferentie behoudt evenwel nog steeds haar belang op juridisch en socio-cultureel gebied.

Trouw aan haar geschiedenis, heeft de Vlaamse Conferentie doorheen haar 125-jarige geschiedenis steeds haar politieke neutraliteit behouden.

Waar er in het kader van een politieke neutraliteit in het verleden nog naar gestreefd werd, zoals overigens ook bij de kandidaturen voor het batonnaat, om zoveel als mogelijk een eerder katholieke voorzitter te doen opvolgen door een vrijzinnige, is dit onderscheid de laatste decennia ook verdwenen, en terecht.

Sedert het werkingsjaar 1986-1987, onder het voorzitterschap van Jan Verstraete, kent het bestuur nog slechts één ondervoorzitter die het jaar nadien tot voorzitter “verkozen” wordt.

De maatschappelijke evoluties van eind 20e begin 21e eeuw hadden hun weerslag op de Vlaamse Conferentie,die daardoor evolueerde tot een moderne en performante vrije vereniging, die wel haar geschiedenis kent.

Zo is er binnen de Conferentie, net zoals binnen de balie in het algemeen, vooreerst de onmiskenbare evolutie van de vervrouwelijking geweest. Jetty Rombaut-De Backer was in 1956 het eerste vrouwelijke bestuurslid van de Conferentie, onder voorzitter Bruno Wuyts, in 1961 gevolgd door Mariette Verrycken, onder voorzitter Jos Marck. Verrycken was winnares van menig pleitwedstrijd en werd opnieuw bestuurslid in 1968 onder voorzitter Hubert Segers. Later werd zij benoemd tot vrederechter te Borgerhout.

In de daaropvolgende jaren maakten vrouwen slechts sporadisch deel uit van het bestuur. In het bestuur van Jan de Man (1989-1990) waren de vrouwen voor het eerst in de meerderheid: 6 vrouwen tegenover 5 mannen. Dat jaar hield ook voor het eerst een vrouwelijke confrater de openingsrede. Geertrui Bresseleers sprak over de rechten van de mens “Toen twee en twee vier werd”.

Sindsdien zijn de besturen haast steeds paritair samengesteld.

Het zou duren tot 1995 vooraleer de Conferentie voor het eerst geleid werd door een vrouwelijke voorzitter, Joëlle Colaes, die in 1993 bij voorzitter Paul Segers openingsredenaar geweest was. Nadien volgde Gerda Lange in 1997. Vanaf 2005 volgden geregeld vrouwelijke voorzitters, zij het nog steeds minder frequent dan mannelijke.

Een andere onmiskenbare tendens is de digitalisering geweest. Die heeft grote invloed gehad op de structurele planning en werking van ieder Conferentiejaar vanaf 2000. Waar de Conferentie de voorbije decennia haar activiteiten veelal aankondigde per brief, in de kleedkamer van de balie of door middel van een in eigen beheer getypt en geniet boekje of blaadje, pakte voorzitter Frank Roosendaal in 2000 uit met een kleurrijk gedrukt magazine, gekoppeld aan een website.

Zoals voordien kon voor activiteiten nog steeds worden ingeschreven op de “lijst in de kleedkamer”, doch voortaan ook via de website. Waar deze website in de eerste jaren nog een omstandig adres kende (www. advocaat.be/ antwerpen/conferentie), kreeg zij al spoedig een eigen domeinnaam. Voortaan kan ieder conferentielid naar believen naar www.deconferentie.be surfen.

De site bevat het jaarprogramma, een omschrijving vooraf en nadien ook een verslag van iedere activiteit, prijzen en praktische info, fotoreportages, een publiek deel en een privaat luik voor de leden.

De Conferentie heeft bovendien een nieuwe taak op zich genomen, met name de ondersteuning van de deontologische verplichting tot permanente vorming. Vanaf 2001-2002 (voorzitter Marco Schoups) organiseert de Conferentie jaarlijks een reeks van minimaal acht interessante en druk bijgewoonde voordrachten, goed voor het behalen van de 16 jaarlijks vereiste punten.

Naast deze nieuwe opdrachten, is de Vlaamse Conferentie ook in de 21e eeuw haar lange traditie trouw gebleven.

Alsof de tijd heeft stilgestaan, worden net als ruim honderd jaar geleden, uitstappen georganiseerd naar Yerseke, vinden plechtige openingszittingen en talrijk bijgewoonde openingsbanketten plaats, wordt het jaar ludiek afgesloten tijdens een zomers sluitingsbanket, worden sprekers uitgenodigd en wordt de worst gevierd en besproken.

Dit alles wordt, net zoals vroeger, door de mangel gehaald tijdens de jaarlijkse revue en ook tijdens de stagiairsrevue.

Hoewel in 2006 verhuisd werd naar het nieuwe gerechtsgebouw, vindt de jaarlijkse pleitwedstrijd Ridder René Victor nog steeds plaats in de assisenzaal van het oude gerechtsgebouw.

Sedert het werkingsjaar 1990-1991, onder het voorzitterschap van Jacques Dierckx, organiseert de Conferentie jaarlijks ook een of meerdere reizen, waarbij vaak een vertegenwoordiging van de lokale balie ontmoet wordt.

De eerste reis bracht de Conferentie in Praag. Zonder volledig te zijn, kan opgemerkt worden dat de Conferentie onder meer reeds bezoeken bracht aan Budapest, Madrid, Londen, Lissabon, New York, Sint-Petersb urg,Istanbul, Rome, Jeruzalem, Bilbao en San Sebastian, Parijs, Palermo, Dublin en Dubrovnik.

De goede samenwerking met de andere juridische beroepen (notarissen en gerechtsdeurwaarders) vindt haar jaarlijkse neerslag in de grote nieuwjaarsreceptie, die vanaf 2001 door de Conferentie georganiseerd wordt.

De Conferentie is door de jaren heen steeds een plaats geweest om cultuur te ontmoeten. Vermaarde kunstenaars – schilders, dichters en schrijvers – waren te gast, gaven een lezing of stelden ten toon.